| NIEUWS
|
|
| PROGRAMMA 2025/26
|
|
| PROGRAMMA 2026/27
|
|
|
KAARTVERKOOP |
 |
| WIE ZIJN WIJ |
| ARCHIEF |
| JUBILEUM 100 JAAR |
| LINKS |
|
| adverteerders: |
|
|
Toelichting Feruleva/Van der Laar
Ludwig van Beethoven (1770-1827): Sonate voor cello en piano in D gr.t. opus 102 no.2 (1815)
• Allegro con brio
• Adagio con molto sentimento d'affetto
• Allegro
Beethovens twee cellosonates opus 102 dateren uit 1815, een jaar waarin Beethoven, ondanks voorgaande successen (de “populaire” Wellingtons Sieg-symfonie!) met een nieuwe, vrijere stijl experimenteerde. Het is de interessante opmaat voor de rijpe oogst van meesterwerken uit de laatste elf jaar van zijn leven. Pas in het volgende jaar 1816 vond de zelf-kritische Beethoven met de pianosonate in A de ingang tot zijn definitieve stijl: vrijheid zonder aarzelingen, minder effect, meer naar binnen gericht. Het gevolg van zijn volkomen doofheid?
In de cellosonate in D opus 102 no. 2 verkent Beethoven bij vlagen onbekend terrein. Het eerste deel met zijn markante beginthema geeft ons, behoudens opvallend verstilde momenten in de doorwerking, de ons bekende Beethoven. Een somber, peinzend en simpel adagio met een iets sneller middenpaneel gaat hierna onverwacht over in een fuga die eerst vitaal en regelmatig verloopt maar gaandeweg vrijer, bijna improviserend klinkt. Beethoven op de grens van twee werelden, op weg naar de negende symfonie en de late strijkkwartetten.
Lili Boulanger (1893-1918): “D’un soir triste” (1918) voor orkest, versie voor cello en piano (1918)
Uitgesproken tragisch was het lot van de Franse componiste Lili Boulanger. Het is aan haar zes jaar oudere zus Nadia, later een gevierde dirigente en pedagoge, te danken dat Lili ondanks haar zwakke gestel toch nog naam kon maken. Toen zij op 24-jarige leeftijd stierf had ze al een respectabel oeuvre gecomponeerd, onder meer de cantate Faust et Hélène waarmee ze als eerste vrouw de Prix de Rome won, kamermuziek, liederen, maar ook koor- en orkestwerken, mede dankzij het feit dat Nadia haar hele leven bij haar zus bleef wonen.
Het deze avond uit te voeren, bijna tien minuten durende orkestwerk “D’un soir triste” dateert uit Lili’s sterfjaar 1918. Zoek in dit somber getinte opus niet naar invloeden van bekende tijdgenoten als Debussy en Ravel. Het is bewonderenswaardig en getuigend van een sterke muzikale persoonlijkheid dat Lili Boulanger in dit melodische werk (het bestaat ook in een versie voor pianotrio) een eigen lijn volgt, meer dissonant en soms op de grens van atonaal, met dramatiek en sterke climaxwerkingen. Een fascinerende zwanenzang!
Nicolai Rimsky-Korsakov (1844-1908): Concert-Fantasie “De Gouden Haan” voor viool (of cello) en piano (1907)
Anders dan in Rusland zelf is Nicolai Rimsky-Korsakov bij ons vooral bekend door zijn instrumentale werken, met name de orkestsuite “Shéhérazade” (met de beroemde vioolsolo, waarover straks), ouverture Russisch Paasfeest, Capriccio Espagnol. Minder bekend zijn hier zijn talrijke opera’s waarvan we het kleurrijke “Sneeuwmeisje” en de magistrale “Le coq d’or” oftewel De Gouden Haan uit 1907-1908 noemen. Wil men een paar belangrijke thema’s uit deze Russische satire leren kennen, dan biedt de Concert-Fantasie over motieven uit deze opera hiertoe een kans. Rimsky belicht in zijn eigen versie voor viool en piano vooral de effectvolle vioolpartij (naar het model van Shéhérazade), maar het werk biedt ook in de cello-versie meeslepende muziek.
Robert Schumann (1810-1856): Adagio en Allegro opus 70 in A gr.t. voor hoorn of cello en piano (1849)
Naast veel kamermuziek voor ensembles (strijkkwartetten, pianotrio’s) schreef Schumann talloze kostbare kortere werken voor een solo-instrument en piano, speciaal voor blazers. Een fraai voorbeeld hiervan is “Adagio und Allegro”, dat in februari 1849 ontstond te midden van een ware lawine aan andere werken. De inzet van het Adagio laat direct al een melodie horen die in zijn schoonheid lijkt te willen sterven en ook in het op dit Adagio volgende vurige Allegro in het midden weer even opduikt. Het beginthema van dit Allegro is overigens pure hoorn-muziek, hoewel dit werk ook voor cello of viool effectvol klinkt.
George Enescu (1881-1955): cellosonate no. 2 in C gr.t. opus 26 (1935)
• Allegro moderato ed amabile
• Allegro agitato, non troppo mosso
• Andantino cantabile, senza lentezza
• Final à la roumaine. Allegro sciolto
In Roemenië is hij, ondanks zijn langdurig verblijf en opleiding in Frankrijk, een nationale held, bij ons betrekkelijk onbekend: George Enescu, in zijn land gevierd als componist, vioolvirtuoos en -leraar, pianist en dirigent. Wat wij hier enigszins kennen zijn de folkloristische werken zoals de Roemeense rhapsodieën, kleurrijke muziek uit zijn jonge jaren. Maar er is ook een andere Enescu, die van zijn late meesterwerk, de opera “Oedipe” en veel latere kamermuziek, waartoe de tweede cellosonate opus 26 uit 1935 behoort. Typerend is, dat de finale van dit werk de aanduiding “à la roumaine” heeft, maar dat men niet direct volkswijsjes herkent, maar wel de opzwepende ritmiek. De rest van deze lange sonate heeft een veel meer lyrisch karakter, vooral in het donkergetinte eerste deel met zijn lange cellomelodie en in de uitgebreide cellosolo die het milde derde deel (andante) inleidt Het tweede deel is een virtuoos, motorisch allegro. Let wel: Enescu schrijft een sonate in C: ondanks soms complexe harmonieën verlaat hij nooit het tonale pad!
Peter Visser
terug
|